Beleidsmatig gewenste ontwikkelingen zijn een mooi voorbeeld van een blanco-norm. De decreetgever heeft er geen definitie voor uitgewerkt en ook geen lijst van onderwerpen bepaald of opgesomd in welke documenten beleidsmatig gewenste ontwikkelingen moeten worden opgenomen. Om gemeenten niet te zeer te beperken in de ontwikkeling van het door gewenste beleid werd het begrip bewust niet nader gespecifieerd.
Beleidsmatig gewenste ontwikkelingen zijn inhoudelijke visie-elementen die meegenomen kunnen worden bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Ze kunnen betrekking hebben op:
- de functionele inpasbaarheid;
- de mobiliteitsimpact;
- de schaal;
- het ruimtegebruik;
- de bouwdichtheid;
- visueel-vormelijke elementen;
- cultuurhistorische aspecten;
- het bodemreliëf;
- hinderaspecten;
- gezondheid;
- gebruiksgenot;
- veiligheid in het algemeen (artikel 4.3.1, § 2, 1° en 2°, a VCRO).
Beleidsmatig gewenste ontwikkelingen kunnen worden teruggevonden in:
- ruimtelijke beleidsplannen;
- ruimtelijke structuurplannen;
- masterplannen;
- structuurschetsen;
- beeldkwaliteitsplannen;
- toetsen of nota’s omtrent
- woningtypes;
- hoogbouw;
- parkeren;
- kleinhandel;
- …;
- omzendbrieven;
- woonomgevingsplannen;
Beleidsmatig gewenste ontwikkelingen bieden gemeenten derhalve de mogelijkheid om bij het beoordelen van vergunningsaanvragen rekening te houden met beleidslijnen.
Om dienstig te kunnen zijn moeten beleidsmatig gewenste ontwikkelingen wel enige vorm van politieke validatie hebben gehad, voorafgaand bekend gemaakt zijn aan de bevolking en raadpleegbaar zijn (RvVb 27 augustus 2013, nr. A/2013/0511). Ze moeten daarnaast ook voldoende duidelijk en precies zijn en voldoende rechtszekerheid bieden om een concreet beoordelingskader te kunnen vormen als onderdeel van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening (RvVb 6 mei 2014, nr. A/2014/0328).
Gemeenten zijn trouwens niet verplicht om bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag rekening te houden met beleidsmatig gewenste ontwikkelingen. Het meenemen ervan in de beoordeling is geen verplichting (bijv. RvVb14 april 2015, nr. A/2015/0213; RvVb 5 mei 2020, nr. A/1920/0813).