Met gejuich onthalen burgers en projectontwikkelaars de grondige verruiming van het Vrijstellingsbesluit. De gemeenten baart het voorlopig kopzorgen. Onder meer omdat er ook voor handelingen aan (voor)gevels en binnenverbouwingen, met stabiliteitswerken, geen omgevingsvergunning meer nodig is.

Handelingen aan gevels

Tot 1 maart 2026 gold de vrijstelling en de meldingsplicht voor handelingen aan gevels en daken alleen voor zijgevels, achtergevels en daken (artikelen 2.1, 2° en 3.1, 2° Vrijstellingsbesluit en oud artikel 3 Meldingsbesluit). Voor handelingen aan de voorgevel bleef de vergunningsplicht onverkort overeind.

In het verslag aan de Vlaamse Regering van 2010 oordeelde de regelgever nog als volgt: “Voor werken in de voortuin en aan voorgevel, over het algemeen zichtbaar vanop de openbare weg, blijft sturing door de overheid opportuun. De vergunningsplicht wordt aldus niet verlaten, behalve voor lage afsluitingen, tuinpaden, tuinaanleg, en dergelijke.”

Daaruit herrees ook bij de lokale besturen het adagium dat elke handeling aan de voorgevel vergunningsplichtig is. Menig bestuur verhief deze passage uit het verslag tot een decretale vergunningsplichtige stedenbouwkundige handeling.

De vergunningsplicht voor het optrekken, plaatsen, afbreken, herbouwen, verbouwen of uitbreiden van een constructie volgt evenwel alleen uit artikel 4.2.1, 1° a) en c) VCRO. Dat maakt dat vergunningsplichtige handelingen aan gevels in principe vergunningsplichtig zijn, tenzij volgens het Vrijstellingsbesluit voor deze handelingen geen omgevingsvergunning nodig is.

De stedenbouwkundige vergunningsplicht valt veiligheidshalve niet a contrario af te leiden uit het Vrijstellingsbesluit of het verslag aan de Vlaamse Regering. Wat in de praktijk wel vaker misloopt bij bijvoorbeeld het vellen van bomen. Alleen voor de vrijgestelde en niet-vergunningsplichtige handelingen vermeld in het Besluit Limitatieve Lijst, dat ook op 1 maart 2026 in werking trad, kan de gemeenteraad via een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening overigens een vergunningsplicht invoeren (artikel 4.2.5 VCRO). Deze lijst is zoals de titel verraadt, bijvoorbeeld voor het vellen van niet-hoogstammige bomen, echter limitatief.

Ook voorgevel

Vanaf 1 maart 2026 maakt het Vrijstellingsbesluit en het bijhorend verslag voor de vrijgestelde handelingen aan gevels een draai van minstens 90°, met name naar de voorgevel.

De verruimde vrijstellingen in de artikelen 2.1, 2° en 3.1, 2° Vrijstellingsbesluit gelden voortaan voor handelingen aan gevels en daken, zonder de energieprestatie van het gebouw te verslechteren en zonder het fysieke bouwvolume te wijzigen. Mits ook voldaan aan de toepassingsvoorwaarden in artikel 1.2 tot en met 1.6 Vrijstellingsbesluit en de bijzondere voorwaarden in respectievelijk artikel 2.2 en 3.2 Vrijstellingsbesluit.

Er is volgens het verslag sprake van 3 inhoudelijke veranderingen. Omdat het verslag deze inhoudelijke wijzingen slechts summier aanhaalt, licht deze opinie ze kort toe.

3 inhoudelijke veranderingen

Vooreerst zijn vanaf 1 maart 2026 handelingen aan de voorgevel vrijgesteld. Deze wijziging zal een impact hebben op het aantal vergunningsaanvragen. De beloofde vereenvoudiging van de minister ligt hier vooral in het terugschroeven van het aantal vergunningsaanvragen. Dit tot grote bezorgdheid van wat lokale besturen en omgevingsambtenaren, gelet op de mogelijke impact op het straatbeeld. Of de ruimtelijke impact van deze vrijstelling omwille van onder meer de ligging beperkt is, zoals artikel 4.2.3 VCRO voorschrijft en volgt uit het verslag, is dan ook de vraag.

Het staat de gemeenten overigens vrij om stedenbouwkundige voorschriften op te stellen met betrekking tot bijvoorbeeld het uitzicht van voorgevels. Het niet naleven van die voorschriften is dan vooral een kwestie van handhaving (artikel 6.2.1, 2° VCRO, dan wel artikel 6.2.2, 6° VCRO).

Ten tweede zijn alleen die handelingen die de energieprestatie van gebouw niet doen verslechteren, vrijgesteld. Die toevoeging lijkt geen vereenvoudiging. Het toezicht of voldaan is aan deze voorwaarde zal geen sinecure zijn. Zo is de bevoegde handhaver, met name de verbalisant ruimtelijke ordening of vanaf 1 april 2026 de toezichthouder, bevoegd voor omgevingshandhaving, bijvoorbeeld niet gespecialiseerd in het energierecht.

Ten derde en wellicht de inhoudelijke verandering die het meest de wenkbrauwen doet fronsen, zijn handelingen aan gevels met stabiliteitswerken vrijgesteld van vergunningsplicht. Hetzelfde geldt voor binnenverbouwingen (artikel 2.1, 4° Vrijstellingsbesluit). Er vindt dus een overdracht plaats van artikel 2 en 3 Meldingsbesluit naar het Vrijstellingsbesluit. Toch stelt het verslag dat deze handelingen een geringe impact en omvang hebben. Ook ten aanzien van omwonenden…

Let op: tekst loopt door onder afbeelding.

Schulinck Omgevingsrecht

In het complexe landschap van het omgevingsrecht biedt Schulinck Omgevingsrecht het overzicht dat u nodig heeft.

Geen verplichte medewerking architect

Dat handelingen aan gevels en daken en binnenverbouwingen met stabiliteitswerken heden zijn vrijgesteld van vergunning, maakt dat de medewerking van de architect niet meer verplicht is.

Omdat vóór 1 maart 2026 handelingen aan zijgevels, achtergevels en daken met stabiliteitswerken alsook binnenverbouwingen met stabiliteitswerken meldingsplichtig dan wel vergunningsplichtig waren, gold de principiële verplichte medewerking van de architect. De wet van 20 februari 1939 op de bescherming van den titel en van het beroep van architect is daarover helder.

Artikel 4 wet op de architect stelt namelijk uitdrukkelijk: “De Staat, de provincies, de gemeenten, de openbare instellingen en de particulieren moeten een beroep doen op de medewerking van een architect voor het opmaken van de plans en de controle op de uitvoering van de werken, voor welke door de wetten, besluiten en reglementen een voorafgaande aanvraag om toelating tot bouwen is opgelegd.”

Dat maakt dat de medewerking van de architect niet verplicht is in 3 gevallen:

  • stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning of melding nodig is, zoals de niet-vergunningsplichtige stedenbouwkundigen handelingen en de van vergunning vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen uit het Vrijstellingsbesluit: het volgt uit artikel 4 wet op de architect dat de medewerking maar beperkt is tot een voorafgaande toelating tot bouwen
  • wanneer de vergunnings- of meldingsplichtige bouwwerken zijn vrijgesteld van de medewerkingsplicht volgens het Besluit Vrijstelling Architect: dat besluit is te onderscheiden van het voormelde Vrijstellingsbesluit
  • stedenbouwkundige handelingen waarvoor de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening een vergunning voorschrijft terwijl de decreten en besluiten met betrekking tot de ruimtelijke ordening een dergelijke vergunning niet vereisen (Artikel 2 Besluit Vrijstelling Medewerking Architect)

Antwoord minister

In de commissie voor leefmilieu, natuur en ruimtelijke ordening stelde de minister van Omgeving Jo Brouns recent echter het volgende:

In het algemeen geldt: wanneer je een vergunning nodig hebt, heb je een architect nodig. We hebben nu een besluit gemaakt waarbij bepaalde handelingen die vroeger vergunningsplichtig waren, nu vrijgesteld worden van een vergunning. Maar dat wil niet automatisch zeggen dat je voor al die handelingen die vrijgesteld zijn van vergunning ook geen architect meer nodig hebt. Dat is een belangrijke nuance.”

Hoewel de vraag in de commissie een andere insteek had dan deze opinie, kunnen we niet om deze nuance heen. Het strooit burgers en architecten zand in de ogen omdat ze juridisch niet correct is. Wanneer het Vrijstellingsbesluit bepaalt dat er voor bepaalde bouwwerken geen omgevingsvergunning nodig is, is er geen sprake van een aanvraag om toelating tot bouwen en dus geen verplichte medewerking van de architect.

Geen stedenbouwkundige inbreuk

De verhoopte vereenvoudiging brengt, onder meer door het antwoord in de commissie, voorlopig eerder verwarring met zich mee. Op welke manier de minister de medewerking van de architect bij vrijgestelde stabiliteitswerken overigens wil afdwingen, bijvoorbeeld omwille van de veiligheid en de mogelijke impact op omwonenden, is dan ook een raadsel wanneer iemand weigert zich te laten bijstaan.

Het is alvast duidelijk dat er geen sprake is van een stedenbouwkundige inbreuk overeenkomstig artikel 6.2.2, 5° VCRO wanneer iemand geen architect onder de arm neemt voor het uitvoeren van vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen.

Voor vrijgestelde stabiliteitswerken verschuift de regelgever de verantwoordelijkheid om een architect te betrekken naar de burger.

Wel aangewezen medewerking architect

Voor vrijgestelde stabiliteitswerken verschuift de regelgever de verantwoordelijkheid om een architect te betrekken naar de burger. Er is als het ware een verschuiving van een verplichte medewerking van de architect naar een aangewezen medewerking van de architect.

Het departement Omgeving stelt in haar vernieuwde hulpgids van 27 februari 2026 terecht: “Deze aanpassingen wijzigen niets aan de zorgvuldigheidsplicht die op iedere burger rust om de veiligheid en stabiliteit van zijn of haar bouwwerk te garanderen”. De buitencontractuele aansprakelijkheid blijft namelijk wel overeind.

Een gewaarschuwd burger weet immers dat het niet meer betrekken van de architect ook de exit betekent van de 10-jarige aansprakelijkheid.