De complexiteit van het omgevingsrecht zet de praktijk aan tot creatieve oplossingen. Of het nu gaat over het Vrijstellingsbesluit of een afwijkingsmogelijkheid bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag.

Het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 21 september 2023 (nr. A-2324-0047) is daar een mooi voorbeeld van. In dit arrest interpreteert een burger een hoofdzakelijk vergunde woning uit de voorwaarden in artikel 2.2, 1 ° Vrijstellingsbesluit als elke hoofdzakelijk vergunde woning. Deze interpretatie breidt echter het toepassingsgebied van het Vrijstellingsbesluit uit. Creatief… maar helaas niet in regel.

Vrijstellingsbesluit

Bepaalde vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen eisen een uitvoering binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergunde woning. Omdat de regelgever niet duidelijk maakt over wie zijn woning het moet gaan, wordt de burger vindingrijk. Te meer omdat er normaal gezien geen beoordeling van een vergunningverlenende overheid aan te pas komt. Maar over wie zijn woning moet het nu gaan? En moet deze woning op hetzelfde perceel staan als de vrijgestelde handeling?

Welke woning?

Een kleine tuinconstructie zoals een brievenbus kan vrijgesteld zijn van vergunningsplicht. Hetzelfde geldt voor een houder voor de selectieve verzameling en het ophalen van afval. Al is het uitvoeren van deze houder binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergunde woning wel een toepassingsvoorwaarde. Het meten van de straal gebeurt vanaf de uiterste punten van de woning.

In deze zaak staat de constructie op 115 meter van de woning waarvoor ze effectief dient en 11 meter van de woning van de aanpalende buur. Volgens de burger voldoet de constructie aan de afstandsvoorwaarde van het Vrijstellingsbesluit. Want de woning van de aanpalende buur is een hoofdzakelijk vergunde woning. Nergens in het Vrijstellingsbesluit staat over wie zijn woning het moet gaan, aldus de burger.

In de praktijk komt deze overtuiging vaker voor. Het lijkt een logische reflex van de burger bij gebrek aan duidelijkheid in artikel 2.2, 1° Vrijstellingsbesluit.

Eigen woning

De Raad bevestigt in het arrest van 21 september 2023 dat het moet gaan over de eigen woning. Namelijk de woning van de persoon die zich op de vrijstelling beroept. Of waarvoor de vrijstelling dient. De titel Handelingen in, aan en bij woningen van de concrete vrijstellingen verklapt dit eigenlijk al. Een uitvoering binnen een straal van 30 meter van de woning van een aanpalende buur is niet voldoende.

De eigen woning is dus de maatstaf. Ook is de aanspraak op de vrijstelling afhankelijk van het hoofdzakelijk vergund karakter van die eigen woning.

Dit volgde zelfs al uit het verslag aan de Vlaamse Regering van 2010. De motivering van de Vlaamse Regering was dat werken op het private deel bij woningen een beperkt en gangbaar karakter hebben. Een opportuniteitsoordeel van een vergunningverlenende overheid is dan niet nodig. Verder verwijst het verslag mede naar de private tuinzone.

De vrijgestelde handeling moet dus gebeuren op het private deel bij de eigen woning. Anders geldt de vergunningsplicht. Dit ligt in lijn met de strikte interpretatie van het Vrijstellingsbesluit als uitzondering op de regel.

De vrijgestelde handeling moet dus gebeuren op het private deel bij de eigen woning

Hetzelfde perceel?

Bijkomend volgt de vraag of de eigen woning op hetzelfde kadastraal perceel moet staan als de vrijgestelde handeling. Interessant daarbij is dat er naast het gebrek aan het woord eigen wel een overvloed is aan definities in artikel 1.1 Vrijstellingsbesluit. Zoals voor het begrip het goed.

Het begrip het goed in het Vrijstellingsbesluit verwijst naar het kadastraal perceel waarop de handeling zelf gebeurt. Of het goed een of meerdere kadastrale nummers heeft, is voor de ruimtelijke ordening niet van belang. De indeling in kadastrale percelen dient met name alleen voor een fiscale verdeling van eigendommen. Wat wel van belang is, is dat een aaneensluitend onroerend goed eigendom is van een of meerdere eigenaars in onverdeeldheid. Het aantal kadastrale nummers doet er dan niet toe.

Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

Dezelfde vragen rezen trouwens al bij de vergunningsplichtige hobbystal voor weidedieren. De afwijkingsregeling in artikel 4.4.8/2 VCRO laat namelijk een omgevingsvergunning toe voor 1 hobbystal in landbouwgebied. Een van de voorwaarden is evenwel het plaatsen van de hobbystal binnen een straal van 50 meter van een hoofdzakelijk vergunde woning. Een hoofdzakelijk vergunde woning gaf ook hier aanleiding tot discussie.

Naar analogie gaat het opnieuw over de eigen woning van de aanvrager. Dit betekent dat niet elke woning binnen een straal van 50 meter volstaat. De Raad had zich hier jaren geleden al over uitgesproken (RvVb 22 oktober 2019, nr. A-1920-0208). Hetzelfde geldt voor de minister van Omgeving naar aanleiding van dit arrest (Vr. en Antw. Vl.Parl. nr. 194, 13 december 2019 (L. CEYSSENS, antw. Z. DEMIR)). En net als voor het Vrijstellingsbesluit is ook hier de kadastrale indeling van percelen niet van belang.

Besluit

Het Vrijstellingsbesluit en de afwijkingsregeling over de hobbystal zijn uitzonderingen op de regel. De voorwaarden voor deze uitzonderingen eisen een strenge lezing of interpretatie. Dat de Raad in deze 2 gevallen bevestigt dat een hoofdzakelijk vergunde woning alleen over de eigen woning gaat, verbaast dan ook niet.