betwistingen nogmaals de impact van de Wasserijsite-rechtspraak. Een stad en een nutsmaatschappij vroegen een omgevingsvergunning aan voor de heraanleg van wegenis en riolering. Omdat het project onderworpen was aan een project-MER-screening, onderzocht de Raad ambtshalve of het college van burgemeester en schepenen wel bevoegd was om over de eigen aanvraag te beslissen.
(zie hierover in detail onze ROV). Het antwoord was negatief. Op basis van de Europese project-MER-richtlijn en de inmiddels gevestigde Wasserijsite-rechtspraak mag een overheid niet zelf beslissen over een MER-(screenings)plichtig project waarvan zij zelf initiatiefnemer of opdrachtgever is. Er moet immers een “passende scheiding” bestaan tussen de initiatiefnemer en de vergunningverlenende overheid. In dergelijke gevallen moet de deputatie optreden als vergunningverlenende overheid.
Juridisch is die redenering weinig verrassend (zie o.m. recent nog RvVb 18 juni 2026, nr. 2526.0881). Lokale besturen zijn gewaarschuwd: de Raad zal het bevoegdheidsprobleem immers zelf opwerpen, ook als geen van de partijen ernaar verwijst.
Nog fundamenteler is de vraag doortrekken: waarom geldt deze regel alleen voor MER-(screenings)plichtige projecten?
Het risico op belangenvermenging ontstaat immers niet door de aanwezigheid van een MER-screeningsnota. Het ontstaat doordat dezelfde overheid tegelijk initiatiefnemer én beoordelaar van het project is
Een moeilijk te begrijpen onderscheid
Vandaag hangt de toepassing van de zogenaamde “no conflict of interest”-regel af van de vraag of een project binnen het toepassingsgebied van de MER-richtlijn valt. Wanneer een gemeente een MER-screeningsplichtig wegenisproject aanvraagt, mag zij niet zelf over die aanvraag beslissen. Gaat het om een gelijkaardig project zonder MER-screening, dan kan dat doorgaans wel.
Dat onderscheid is vanuit Europees recht begrijpelijk. De MER-richtlijn verplicht de lidstaten immers enkel binnen haar eigen toepassingsgebied om dergelijke waarborgen te voorzien.
Maar vanuit zowel grondwettelijk als bestuursrechtelijk oogpunt is het onderscheid minder evident. Het risico op belangenvermenging ontstaat immers niet door de aanwezigheid van een MER-screeningsnota. Het ontstaat doordat dezelfde overheid tegelijk initiatiefnemer én beoordelaar van het project is.
Met andere woorden: als de schijn van partijdigheid een probleem vormt bij een MER-screeningsplichtig gemeentelijk project, waarom zou datzelfde probleem plots verdwijnen zodra het project niet langer MER-plichtig is?
Onpartijdigheid over MER-grenzen heen
Uiteraard betekent dit niet dat lokale besturen hun eigen projecten onzorgvuldig behandelen. Gemeentelijke omgevingsambtenaren zijn gebonden door dezelfde wettelijke beoordelingskaders voor aanvragen van particuliere initiatiefnemers. Ze zijn daarenboven organiek onafhankelijk en beschermd, en werken binnen een welbepaald juridisch kader (art. 9 OVD).
Toch gaat de Wasserijsite-rechtspraak niet uit van daadwerkelijke partijdigheid. Zij vertrekt vanuit een institutionele benadering: bepaalde functies zijn moeilijk verenigbaar en moeten daarom structureel van elkaar worden gescheiden.
Die redenering is perfect door te trekken buiten de Europeesrechtelijke MER-context. Het algemeen beginsel van onpartijdigheid beoogt namelijk niet alleen daadwerkelijke belangenvermenging te voorkomen, maar ook het vertrouwen in de besluitvorming te waarborgen. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat een aanvraag objectief wordt beoordeeld, ook wanneer de overheid zelf belang heeft bij het project.
Een kwestie van gelijkheid
Enter het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel uit art. 10 en 11 Gw. Op de dag van vandaag kunnen 2 sterk vergelijkbare gemeentelijke projecten verschillend worden behandeld, enkel omdat één van beide projecten MER-screeningsplichtig is. In het ene geval wordt de beslissing doorgeschoven naar een hogere overheid, in het andere geval niet.
Nochtans is de onderliggende situatie identiek: de gemeente is zowel aanvrager als vergunningverlener.
De MER-plicht vormt ongetwijfeld een relevant criterium voor de toepassing van de Europese richtlijn. Maar het is moeilijk in te zien waarom diezelfde MER-plicht bepalend zou moeten zijn voor de vraag of een overheid over haar eigen project kan beslissen. Vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid en objectiviteit lijkt het onderscheid immers eerder toevallig.
Back to basics
Een uitbreiding van de Wasserijsite-logica zou overigens niet volledig nieuw zijn. Ze sluit aan bij een gedachte die ook vroeger aanwezig was in de bijzondere vergunningsprocedure: wanneer een overheid een rechtstreeks belang heeft bij een project, kan het aangewezen zijn dat een andere overheid de vergunningsbeslissing neemt (cf. Oud art. 4.7.1 e.v. VCRO; art. 133/30 e.v. DRO).
Met de komst van de omgevingsvergunning is de nadruk meer komen te liggen op projectcategorieën en concrete activiteiten. Daardoor beslissen gemeenten vandaag regelmatig over hun eigen projecten. De Wasserijsite-rechtspraak brengt voor MER-dossiers opnieuw een vorm van externe beoordeling binnen het systeem.
De vraag is of die benadering beperkt moet blijven tot de gevallen waarin Europa dat expliciet vereist.
Let op: tekst loopt door onder afbeelding.
Schulinck AI-Desk Omgevingsrecht
Schulinck AI-Desk Omgevingsrecht is een AI-oplossing binnen de vertrouwde databank Schulinck Omgevingsrecht
Het uitgelezen moment voor een breder debat
De recente hervorming van de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenten, provincies en het Vlaamse Gewest biedt een geschikt moment om die discussie te voeren. Daarbij moet niet alleen worden nagedacht over welke overheid het best geplaatst is om bepaalde projecten te beoordelen, maar ook over de mate waarin aanvrager en vergunningverlener van elkaar moeten worden gescheiden.
Een algemene uitbreiding van de Wasserijsite-rechtspraak is uiteraard niet zonder nadelen. Zij kan leiden tot een bijkomende werklast voor provincies en tot langere procedures. Toch mag ook de vraag naar onafhankelijkheid en vertrouwen in de besluitvorming niet uit het oog worden verloren.
Tijd voor een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof?
Het arrest van 30 juli 2026 bevestigt voor de zoveelste keer dat een overheid niet over haar eigen MER-(screenings)plichtige project mag beslissen. Dat is een logisch gevolg van de Europese MER-richtlijn.
De principiële vraag blijft echter waarom die waarborg precies daar ophoudt. De mogelijke belangenvermenging die de Wasserijsite-rechtspraak wil voorkomen, doet zich immers niet uitsluitend voor bij MER-plichtige dossiers. Ook bij andere vergunningsaanvragen kan een overheid tegelijkertijd aanvrager én beslisser zijn.
Misschien moet de discussie daarom worden omgedraaid. De vraag is niet langer waarom de Wasserijsite-rechtspraak geldt voor MER-dossiers. De vraag is waarom zij niet geldt voor alle dossiers waarin een overheid over haar eigen project moet oordelen. Dat lijkt niet alleen moeilijk te rijmen met het onpartijdigheidsbeginsel, maar ook met het streven naar een consistente en geloofwaardige vergunningverlening.