Op 6 maart 2026 bekrachtigde en kondigde de Vlaamse Regering het decreet af dat verschillende decreten van het beleidsdomein Omgeving wijzigt. De aanleiding voor deze wijzigingen is de implementatie van Europese regelgeving over hernieuwbare energie, kritieke grondstoffen en nettonultechnologie. Met name van de Europese Richtlijn RED III (2023/2413) en 2 Europese verordeningen met een impact op de omgevingsvergunningsprocedure.

De wijzigingen, aangenomen door het Vlaams Parlement op 4 maart 2026, hebben onder meer betrekking op:

Europese regelgeving hernieuwbare energie

RED III is het resultaat van een streven naar prioritering en stroomlijning van hernieuwbare energieprojecten met als doel de klimaat- en energiedoelstellingen, de energiebevoorradingszekerheid en het vermijden van prijsvolatiliteit van energie te bereiken. Deze richtlijn wijzigt dan ook de wetgevingskaders voor hernieuwbare energie en bevat onder meer bepalingen om de omgevingsvergunningsprocedures voor hernieuwbare-energieprojecten te stroomlijnen.

De 2 Europese verordeningen met een impact op de omgevingsvergunningsprocedure zijn daarnaast:

  • de verordening tot vaststelling van een kader om een veilige en duurzame voorziening van kritieke grondstoffen te waarborgen (CRMA-verordening 2024/1252)
  • en de verordening tot vaststelling van een kader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie van nettonultechnologie (NZIA-verordening 2024/1735)

Deze verordeningen hebben tot doel de aanvoerketen van kritieke grondstoffen naar een eigen voorziening van productie-eenheden in de EU te verzekeren. Om zo in voldoende mate nieuwe duurzame technologieën, die de klimaatneutraliteit helpen realiseren, te ontwikkelen.

Ruimtelijke uitvoeringsplannen

Door de voormelde Europese regelgeving wijzigt de regelgever de artikelen 2.2.1 VCRO en 2.2.5 VCRO over de ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Zo bepaalt nieuw artikel 2.2.5 §2/1 VCRO de mogelijkheid om in een RUP een gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie aan te duiden in de zin van artikel 15quater van richtlijn (EU) 2018/2001. Nieuw artikel 2.2.1 §1 lid 4 VCRO bepaalt dat de effectenbeoordeling van deze aanduiding wordt uitgevoerd op een detailleringsniveau dat rekening houdt met de hernieuwbare-energieprojecten waarvoor het gebied wordt aangeduid.

Deze aanduiding betekent dat er maar in zeer beperkte gevallen een project-MER of passende beoordeling moet worden opgemaakt voor de hernieuwbare-energieprojecten in dat gebied. Al geldt een vrijstelling voor een project-MER of passende beoordeling weliswaar alleen wanneer de mogelijke projecten al voldoende onderzocht zijn in het plan-MER en de passende beoordeling naar aanleiding van het RUP.

Milieueffectenrapportage en passende beoordeling

Om die reden wijzigen ook artikel 4.3.3 DABM en artikel 36ter Natuurdecreet zodat het duidelijk is dat voor die bepaalde projecten geen project-MER plicht of passende beoordelingsplicht geldt.

Omgevingsvergunningsprocedure

De nieuwe regeling over de versnelde uitrol van hernieuwbare energie heeft ook een impact op de omgevingsvergunningsprocedure. Om de huidige en de toekomstige modulaire vergunningsprocedure niet te bezwaren met verschillende uitzonderingen opteert de regelgever om alle specifiek Europeesrechtelijke bepalingen te bundelen in een nieuw hoofdstuk 10/1 in het Omgevingsvergunningsdecreet (verder: OVD).

Als een bepaald project onder het toepassingsgebied van RED III of één van de verordeningen valt, gelden de specifieke termijnen en bepalingen van nieuw hoofdstuk 10/1 OVD.