Op 6 april 2026 treedt een wijzigingsdecreet over onder meer hernieuwbare energie, kritieke grondstroffen en nettonultechnologie in werking. Dit wijzigt verschillende decreten binnen het beleidsdomein Omgeving. De aanleiding voor deze wijzigingen is de implementatie van Europese regelgeving over deze thema’s. Met name van de Europese Richtlijn RED III (2023/2413) en 2 Europese verordeningen (CRMA en NZIA) met een impact op de omgevingsvergunningsprocedure.

De wijzigingen hebben onder meer betrekking op:

Hierna volgt een overzicht van de belangrijkste wijzigingen.

Ruimtelijke uitvoeringsplannen

Door de voormelde Europese regelgeving wijzigt de regelgever de artikelen 2.2.1 VCRO en 2.2.5 VCRO over de ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Zo bepaalt nieuw artikel 2.2.5 §2/1 VCRO de mogelijkheid om in een RUP een gebied voor de versnelde uitrol van hernieuwbare energie aan te duiden in de zin van artikel 15quater van richtlijn (EU) 2018/2001. Nieuw artikel 2.2.1 §1 lid 4 VCRO bepaalt dat de effectenbeoordeling van deze aanduiding wordt uitgevoerd op een detailleringsniveau dat rekening houdt met de hernieuwbare-energieprojecten waarvoor het gebied wordt aangeduid.

Deze aanduiding betekent dat er maar in zeer beperkte gevallen een project-MER of passende beoordeling moet worden opgemaakt voor de hernieuwbare-energieprojecten in dat gebied. Al geldt een vrijstelling voor een project-MER of passende beoordeling weliswaar alleen wanneer de mogelijke projecten al voldoende onderzocht zijn in het plan-MER en de passende beoordeling naar aanleiding van het RUP.

Invoering van kortere beslissingstermijnen

De meest opvallende verandering is de invoering van strikte maximumtermijnen voor de vergunningverlening in eerste administratieve aanleg.

Voor hernieuwbare energie gelden volgende termijnen:

  • binnen versnellingsgebieden (gebieden bijzonder geschikt voor hernieuwbare energie): basistermijn van maximaal 12 maanden
  • voor repowering van elektriciteitscentrales en installaties kleiner dan 150 kW: maximumtermijn van 6 maanden
  • buiten versnellingszones: maximumtermijn van 2 jaar
  • zonne-energie:
    • installaties op kunstmatige constructies (zoals daken of parkeerterreinen): maximumtermijn van 3 maanden
    • voor kleine installaties (≤ 100 kW): maximumtermijn van 1 maand
  • warmtepompen:
    • installaties kleiner dan 50 MW: maximumtermijn van 1 maand
    • bodemwarmtepompen: maximumtermijn van 3 maanden

Voor kritieke grondstoffen gelden volgende termijnen:

  • winning kritieke grondstoffen: maximumtermijn van 27 maanden
  • verwerking en recycling kritieke grondstoffen: maximumtermijn van 15 maanden

Voor nettonultechnologie gelden volgende termijnen:

  • projecten met een output van minstens 1 GW: maximumtermijn van 18 maanden
  • kleinere projecten: maximumtermijn van 12 maanden
  • erkende strategische nettonulprojecten: kortere maximumtermijnen van 9 tot 12 maanden

De figuur van de stilzwijgende vergunning

Voor het eerst wordt er voor een specifieke categorie een “stilzwijgende vergunning” ingevoerd in de Vlaamse omgevingsregelgeving. Bij apparatuur voor zonne-energie met een vermogen van 100 kW of minder wordt de vergunning geacht te zijn verleend als de overheid niet binnen de maand beslist (nieuw artikel 114/7 §2 OVD). In de meeste andere gevallen leidt het overschrijden van de Europese termijn echter nog steeds tot een stilzwijgende weigering volgens de reguliere Vlaamse procedure.

Centraal contactpunt en procedurehandboek

De bevoegde overheid die de beslissing moet nemen krijgt een aanwijzing als centraal contactpunt (nieuw artikel 114/10 OVD). Dit punt moet de aanvrager begeleiden door de volledige administratieve procedure. De aanvrager moet tijdens de hele procedure slechts met dit aanspreekpunt contact hebben. Daarnaast moet de bevoegde overheid een procedurehandboek beschikbaar stellen. Dat moet duidelijke richtlijnen bevatten voor ontwikkelaars.

Versnelling van Milieueffectbeoordelingen (MER)

Projecten die voldoen aan de voorwaarden van het Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) voor een versnellingszone, zijn in principe vrijgesteld van een project-MER (artikel 4.3.3 DABM en artikel 36ter Natuurdecreet). Er vindt alleen nog een beperkte screening plaats op “onvoorziene effecten”.

Bij verschillende milieueffectbeoordelingen (bv. op grond van de Habitatrichtlijn, Waterrichtlijn en de project-m.e.r.-richtlijn) moet de bevoegde overheid deze combineren in 1 procedure.

Juridische status en geschillenbeslechting

Voor projecten voor hernieuwbare energie geldt een vermoeden van “hoger openbaar belang” (nieuw artikel 114/10 §9 lid 2 OVD en nieuw artikel 114/12 §11 lid 2 OVD). Dit soort projecten dient de volksgezondheid. Dit vermoeden dient bij de afweging van belangen in milieudossiers.

Voor administratieve en gerechtelijke beroepsprocedures geldt de snelst beschikbare procedure in het nationale of regionale recht.

Overgang naar het modulaire systeem

Het decreet voorziet ook in de nodige technische aanpassingen om aan te sluiten bij de toekomstige modulaire omgevingsvergunningsprocedure (zie artikel 37 en 38 Wijzigingsdecreet). Dit treedt in werking op een later tijdstip. Van zodra de decreetgever de modulaire omgevingsvergunningsprocedure invoert, gebeurt automatisch een aanpassing van een aantal artikelverwijzingen. De nieuwe regels gelden dus zowel voor als na de inwerkingtreding van de modulaire vergunningsprocedure.