Elke week lichten de juridische experten van Schulinck Omgevingsrecht een interessant arrest binnen het Vlaamse omgevingsrecht toe. Deze week is dat het arrest van de Raad voor vergunningsbetwistingen van 2 april 2026 (nr. A-2526-0652). Daarin oordeelt de Raad over het onderscheid tussen het verval en het niet-correct uitvoeren van een stedenbouwkundige vergunning.
In 2003 vergunt de deputatie de bouw van een loods voor landbouwdoeleinden. Later vragen nieuwe eigenaars een omgevingsvergunning aan voor een zonevreemde functiewijziging van landbouw naar loutere opslag. De deputatie weigert deze vergunningsaanvraag en stelt dat de oorspronkelijke vergunning uit 2003 van rechtswege vervallen is door de niet-correcte uitvoering en het zonevreemde gebruik van de loods. Dat zijn stedenbouwkundige misdrijven waarvoor de correctionele rechtbank de exploitant strafrechtelijk veroordeelt.
Het verval van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen treedt van rechtswege in (artikel 99 §1 OVD):
- als de verwezenlijking van de vergunde stedenbouwkundige handelingen niet start binnen de 2 jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning
- als het uitvoeren van de vergunde stedenbouwkundige handelingen meer dan 3 opeenvolgende jaren wordt onderbroken
- als de vergunde gebouwen niet winddicht zijn binnen 5 jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning
- als de lasten niet zijn uitgevoerd binnen 5 jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen
Onderscheid verval en niet-correcte uitvoering
Er bestaat een onderscheid tussen het verval en het niet correct uitvoeren van een stedenbouwkundige vergunning. Dat de oprichting van een constructie afwijkt van de vergunde plannen volstaat op zichzelf niet om te besluiten tot verval, zo oordeelt de Raad.
Als afwijkingen van vergunde plannen bij het oprichten van een bouwwerk aan het geheel als stedenbouwkundige entiteit fundamenteel niets wijzigen, kan er geen sprake zijn van een verval van de vergunning. Het dossier in deze zaak bevat bovendien geen verdere toelichting waaruit de stedenbouwkundige afwijkingen bestaan. Op basis daarvan kan de vergunningverlenende overheid dan ook niet oordelen dat de vergunninghouder de betrokken vergunning zodanig anders heeft uitgevoerd dat het gaat over totaal andere bouwwerken dan vergund.
Een herstelvordering kan de vergunningverlenende overheid niet gelijkstellen met het zodanig anders uitvoeren van de vergunning dat het eigenlijk gaat om een niet-uitvoering. Daarnaast oordeelt de Raad nog dat een vonnis van de strafrechter geen verval van de stedenbouwkundige vergunning vaststelt. Bijgevolg kan de deputatie de oorspronkelijke vergunning van 2003 niet als vervallen beschouwen alleen door de niet-correcte uitvoering.
Schulinck Omgevingsrecht
Meer informatie over het verval van de omgevingsvergunning vind je in Schulinck Omgevingsrecht. Nog geen abonnement? Vraag dan zeker een demo aan.