Elke week lichten de juridische experten van Schulinck Omgevingsrecht een interessant arrest binnen het Vlaamse omgevingsrecht toe. Deze week is dat het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 20 augustus 2026, nr. 2526-1072 over de toepassing van een stedenbouwkundige verordening die pas in de beroepsprocedure in werking treedt.
Op 13 december 2024 weigert het college van burgemeester en schepenen een omgevingsvergunning voor de verbouwing van beschermd erfgoed tot een project met 11 woongelegenheden. Na beroep door de aanvrager, verleent de deputatie op 19 juni 2025 toch een omgevingsvergunning onder voorwaarden.
Op 29 april 2024 stelt de gemeenteraad een verordening stedenbouwkundige lasten definitief vast. Artikel 2, §1.2 van die verordening legt verplichte lasten op voor woonprojecten met minimaal 10 zelfstandige woongelegenheden die niet beschikken over minimaal 500 m² groene ruimte op eigen terrein. Dit artikel treedt op 1 januari 2025 volledig in werking. Tijdens de weigering van de vergunning was er nog een overgangsregeling van toepassing.
De deputatie onderzoekt dit aspect niet en legt geen stedenbouwkundige last op. De Raad oordeelt dat de deputatie de aanvraag in bestuurlijk beroep aan de verordening stedenbouwkundige lasten moest toetsen. Dat de verordening nog niet van toepassing was toen het college op 13 december 2024 besliste, verandert daar volgens de Raad niets aan.
Bij de beoordeling van een omgevingsvergunning geldt dus in beginsel de regelgeving die van toepassing is op het moment van de beslissing. Dit geldt ook in laatste administratieve aanleg als de relevante verordening tijdens de beroepsprocedure in werking treedt.
Schulinck Omgevingsrecht