Elke week lichten de juridische experten van Schulinck Omgevingsrecht een interessant arrest binnen het Vlaamse omgevingsrecht toe. Deze week is dat het arrest van het Handhavingscollege van 5 februari 2026 (nr. M-2526-0023). Daarin oordeelde het college over de toerekenbaarheid van een milieumisdrijf bij een mogelijke dwaling.

De exploitant van een wervelbedoven (een soort afvalverbrandingsoven) met 3 lijnen beschikt over een milieuvergunning. Als bijzondere milieuvoorwaarden legt deze een totaal nominaal thermisch vermogen en een daggemiddeld tonnage op. In 2020 en 2021 heeft de exploitant het daggemiddeld tonnage overschreden. De gewestelijke beboetingsentiteit legt daarvoor in 2024 een alternatieve bestuurlijke geldboete op.

De exploitant betwist in beroep de lezing van de milieuvergunning door de gewestelijke beboetingsentiteit. Alleen het nominaal thermisch vermogen vormt volgens de exploitant een vergunde bovengrens. Het daggemiddeld tonnage zou slechts als illustratie dienen. Dit blijkt volgens de exploitant onder meer uit:

  • de aanvraag zelf
  • de vergunningsoverwegingen
  • het standpunt van OVAM
  • het antwoord van de bevoegde minister op een parlementaire vraag

Oordeel Handhavingscollege

Het Handhavingscollege oordeelt dat de milieuvoorwaarden in een milieuvergunning doorslaggevend zijn. De overschrijdingen van tonnage vormen dus een milieumisdrijf, namelijk een schending van milieuvoorschriften (artikel 16.6.1 §1 lid 1 DABM).

Echter, de exploitant bevond zich in een onoverkomelijke feitelijke dwaling. Dwaling vormt een strafrechtelijke schulduitsluitingsgrond als ze:

  • betrekking heeft op een constitutief element van het milieumisdrijf
  • onoverkomelijk is

Men kan de dader van het milieumisdrijf dan geen fout verwijten rond het verkeerd begrip van de milieuvoorschriften. Immers, ieder redelijk en vooruitziend exploitant, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zou het milieumisdrijf hebben gepleegd.

Doorslaggevend daarbij in deze zaak: het standpunt van OVAM als gespecialiseerde Vlaamse overheidsdienst inzake het beheer van afvalstoffen. Deze nam jarenlang uitdrukkelijk het standpunt in dat deze installatie “vergund is op basis van thermisch vermogen”. Daardoor zouden de reële jaarlijks verbrande hoeveelheden groter zijn dan het tonnage berekend bij standaard calorische waarde.

Dat standpunt kwam ook terug in het jaarlijks rapport van de OVAM. Het kreeg bovendien bevestiging in een antwoord op een parlementaire vraag van de bevoegde minister (Parl. Vr. en Antw. Vl. Parl., Vr. nr. 269, 20 november 2020 (M. SCHAUVLIEGE, antw. Z. DEMIR)). Een redelijk en vooruitziend exploitant mocht daarop vertrouwen. Het milieumisdrijf kan men dus niet aan de exploitant toerekenen.

Goed om te weten

In een gelijkaardige zaak over een andere exploitant van een afvalverbrandingsoven kwam het Handhavingscollege tot hetzelfde oordeel. Ook daar bestond er een dwaling omwille van dezelfde redenen (Handhavingscollege 5 februari 2026, nr. M-2526-0024).

Schulinck Omgevingsrecht

Meer informatie over handhaving milieu vind je in Schulinck Omgevingsrecht. Nog geen abonnement? Vraag dan zeker een demo aan.