Elke week lichten de juridische experten van Schulinck Omgevingsrecht een interessant arrest binnen het Vlaamse omgevingsrecht toe. Deze week is dat het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 3 september 2026 (nr. 2627-0003) over het beoordelen van een beperkte afwijking van een stedenbouwkundig voorschrift uit een RUP.
De zaak betreft een omgevingsvergunning voor het creëren van 3 loten voor open bebouwing. Het betrokken perceel ligt binnen een gemeentelijk RUP. Dat RUP bepaalt dat de perceelsbreedte voor nieuwe loten minstens 20 m moet bedragen.
De deputatie verleent de vergunning ondanks het feit dat 1 lot slechts 19,48 m breed is. Volgens haar gaat het om een beperkte afwijking van ongeveer 2,5 %. Dat maakt volgens de deputatie de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid voor beperkte afwijkingen mogelijk (artikel 4.4.1 §1 VCRO).
Beperkt karakter afwijking
Artikel 4.4.1 §1 VCRO bepaalt dat de bevoegde overheid in een vergunning beperkte afwijkingen kan toestaan op stedenbouwkundige voorschriften. De afwijkingen mogen alleen betrekking hebben op:
- perceelsafmetingen
- afmetingen en inplanting van constructies
- dakvorm
- gebruikte materialen
Beperkt afwijken van de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex of het aantal bouwlagen kan niet. Daarnaast moet het om een ‘beperkte’ afwijking gaan. Dit betekent dat de afwijkingen geen afbreuk mogen doen aan essentiële gegevens van het plan of de stedenbouwkundige verordening.
De memorie van toelichting stelt het volgende: om te beoordelen of het gaat over een ‘beperkte’ afwijking moet de vergunningverlenende overheid het beperkt karakter van de afwijking afmeten aan de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften. De verleende afwijkingen moeten in overeenstemming blijven met de algemene strekking van het plan (MvT Parl. St. Vl. Parl. 2008-09, nr. 2011/1, 136).
De Raad benadrukt dat een louter kwantitatieve beoordeling bij een beperkte afwijking niet volstaat. De vergunningverlenende overheid moet onderzoeken of de afwijking afbreuk doet aan de essentiële keuzes of de algemene strekking van het toepasselijke plan. Ook dat de 3 loten samen voldoende breedte hebben wanneer het voorschrift een minimale breedte per perceel oplegt vormt geen relevant element.
Evenmin volstaat de vaststelling dat de aanvraag overeenstemt met de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of met de goede ruimtelijke ordening. Die elementen zeggen op zichzelf niets over de aanvaardbaarheid van de afwijking van het stedenbouwkundig voorschrift uit het RUP.
De Raad oordeelt daarnaast dat de deputatie een afwijking toestond zonder dat de aanvrager hiervoor een verplicht gemotiveerd afwijkingsverzoek indiende (artikel 4.4.1/0 VCRO). Elke afwijkingsmogelijkheid uit Titel IV, Hoofdstuk 4 VCRO (zoals beperkte afwijkingen) vereist een gemotiveerd verzoek.
Schulinck Omgevingsrecht