Tot en met 31 maart 2026 kunnen rundveehouders ingrepen voor de realisatie van de tussentijdse reductie van 5% nog melden via het Omgevingsloket. 31 maart 2026 is de uiterste indiendatum van de Mestbankaangifte.
Meldingen met indiening na 31 maart 2026 zijn niet rechtsgeldig.
De rundveehouder neemt de ingreep daarnaast ook op in de Mestbankaangifte.
Wie moet een tussentijdse reductiemaatregel nemen?
De verplichting tot een tussentijdse reductie van 5% is van toepassing op elke rundveehouderij die op 23 februari 2024 een vergunning had.
Deze verplichting is niet van toepassing op:
- rundveehouderijen die geacht worden de tussentijdse reductie al geheel te hebben gerealiseerd
- rundveehouderijen die een vrijstelling hebben verkregen
Reductie van 5%
De exploitant moet één of meerdere ingrepen nemen tot vermindering met 5% van de huidige vergunde ammoniakemissie.
De rundveehouder kan deze reductie realiseren door de volgende ingrepen in de vergunning op te nemen:
- een of meer ammoniakemissiereducerende maatregel(en)
- een vermindering van het aantal vergunde dierplaatsen voor rundvee door een tijdelijke buitengebruikstelling
- een vermindering van het aantal vergunde dierplaatsen voor rundvee door een (definitieve) stopzetting
- een combinatie
Tijdelijke buitengebruikstelling
De vermindering van dierplaatsen van rundvee door een tijdelijke buitengebruikstelling is alleen mogelijk in het kader van de tussentijdse reductie van 5% voor rundveehouderijen.
Dat betekent concreet:
- De tijdelijke buitengebruiksteling geldt als een bijzondere milieuvoorwaarde tot de verlening van een vergunning met een impactscore onder de drempelwaarde, met realisatie van de PAS-referentie 2030, met toepassing van de depositietrendtool, of tot stopzetting van de exploitatie.
- Vanaf 1 april 2026 is het niet meer mogelijk om een tijdelijke buitengebruikstelling in de vergunning op te nemen. Een exploitant kan de tijdelijke buitengebruikstelling niet meer opnemen in een melding, een verzoek tot bijstelling van de bijzondere milieuvoorwaarden of een vergunningsaanvraag.
Zijn er nog opties na de deadline van de melding?
Na 31 maart 2026 is het mogelijk om een reeds in de vergunning opgenomen ingreep te vervangen door een andere ammoniakemissiereducerende maatregel of door een (definitieve) stopzetting van een aantal dierplaatsen.
Ook is het bovendien mogelijk om als een tussenstap naar de PAS-referentie 2030 alvast een ammmoniakemissiereducerende maatregel te nemen of een aantal dierplaatsen stop te zetten.
Het projecttype in het Omgevingsloket en de procedure verschillen naargelang hetgeen de exploitant in de vergunning wenst op te nemen:
- Beweiden en de ammoniakemissiereducerende maatregelen uit het Besluit van Vlaamse Regering van 20 november 2024 tot vaststelling van bijkomende ammoniakemissiereducerende maatregelen
o Omgevingsloket: Bijstelling milieuvoorwaarden voor een klasse 3-inrichting of in het kader van specifieke maatregelen voor de realisatie van de PAS-referentie 2030
o Procedure: bijstelling milieuvoorwaarden via de meldingsprocedure (cfr. artikel §2, lid 6 Stikstofdecreet en hoofdstuk 10 van het Omgevingsvergunningendecreet)
o Voorwaarde: geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of verandering van de IIOA vereist
- Definitieve stopzetting van het aantal vergunde dierplaatsen
o Omgevingsloket: Melding stopzetting of verval van een vergunning van een ingedeelde inrichting of activiteit
o Procedure: meldingsprocedure (cfr. artikel 98 Omgevingsvergunningsbesluit)
- Andere ammoniakemissiereducerende maatregelen
o Omgevingsloket: Verzoek tot bijstelling van de voorwaarden door de exploitant of vergunninghouder
o Procedure: bijstelling milieuvoorwaarden (cfr. artikel 82/1 Omgevingsvergunningendecreet)
o Voorwaarde: geen vergunningsplichtige stedenbouwkundige handelingen of verandering van de IIOA vereist
- Bij een verandering aan de IIOA of stedenbouwkundige handelingen
o Omgevingsloket: Aanvraag omgevingsproject
o Procedure: vergunningsaanvraag (cfr. Omgevingsvergunningendecreet)