Een parlementaire vraag aan minister van Omgeving Jo Brouns wijst op de rechtsonzekerheid in de praktijk over de ruimtelijke mogelijkheden van private hondenlosloopweides in agrarisch gebied. De minister verduidelijkt in het antwoord welke regels precies gelden.

Recreatief terrein

De minister benadrukt dat de vergunningverlenende overheid elke hondenlosloopweide concreet moet beoordelen. Legt een initiatiefnemer een terrein specifiek aan voor het loslopen en spelen van honden, bijvoorbeeld met een omheining of afsluiting, speeltoestellen, springattributen, zitbanken of andere constructies, dan kan de overheid dat terrein aanmerken als een recreatief terrein.

Volgens artikel 4.2.1, 8° VCRO is het aanleggen of wijzigen van recreatieve terreinen namelijk vergunningsplichtig. Los daarvan zijn afsluitingen, banken of speeltoestellen constructies die ook op grond van artikel 4.2.1, 1° VCRO een omgevingsvergunning kunnen vereisen.

Wanneer er geen sprake is van een vrijgestelde (tijdelijke) handeling, moet de overheid beoordelen of de vergunningsplichtige hondenlosloopweide verenigbaar is met de geldende bestemmingsvoorschriften. Ze moet daarbij de bestaande regelgeving toepassen op basis van de concrete kenmerken van elk dossier, zoals de inrichting, de schaal, de duur en de ruimtelijke impact van het initiatief.

Recreatief medegebruik

Een vergunningsplichtige private hondenlosloopweide is in beginsel strijdig met de bestemmingsvoorschriften voor agrarisch gebied. Er is immers geen sprake van landbouw in de ruime zin.

Volgens de minister biedt artikel 4.4.4 VCRO, de afwijkingsgrond voor sociaal-cultureel of recreatief medegebruik, een mogelijke oplossing, al geeft die bepaling niet automatisch recht op een omgevingsvergunning. De vergunningverlenende overheid moet bij elke aanvraag concreet nagaan of het recreatieve gebruik ondergeschikt blijft aan de hoofdbestemming, of de ruimtelijke impact beperkt blijft en of aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan.

Een hondenlosloopweide in agrarisch gebied kan dus alleen via die rechtsgrond worden overwogen wanneer het recreatieve gebruik ondergeschikt blijft ten opzichte van de agrarische bestemming. Dat hangt onder meer af van de omvang van het terrein, de aard en het aantal constructies, de intensiteit van het gebruik, de impact op het landbouwgebruik, de landschappelijke inpassing, de mobiliteit, de hinderaspecten en de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening.

Dierenwelzijn en ruimtelijke ordening

Tot slot benadrukt de minister dat dierenwelzijn en ruimtelijke ordening onderscheiden bevoegdheden zijn. Ze streven verschillende doelstellingen na en hebben elk een eigen regelgevend kader. Een positieve beoordeling vanuit dierenwelzijn betekent daarom niet automatisch dat een initiatief ook ruimtelijk-planologisch aanvaardbaar is.