Het gezegde wil dat slechts enkele zaken zeker zijn in het leven: de dood, belastingen, en [vul hier een creatieve derde zekerheid in]. Wat ons betreft zal die derde zekerheid alleszins niet zijn of paardenhouderijen nu wel of niet thuishoren in agrarisch gebied. Het antwoord op de vraag wat nu (para)agrarisch is verschilt immers van bron tot bron. Regelgeving, omzendbrief, rechtspraak, literatuur, overheden en adviesinstanties lijken niet steeds op dezelfde golflengte te staan. In deze opinie bekijken we de bestemming agrarisch gebied van naderbij, in het bijzonder wat betreft het houden van paarden.

Het fokken is alleszins agrarisch

De agrarische gebieden zijn bestemd voor landbouw in de ruime zin (artikel 11.4.1 Inrichtingsbesluit).

Zoals de term het zegt, moet je het begrip landbouw ruim opvatten. Het gaat niet enkel om het bewerken van het land en de teelt van de gewassen. Ook veeteelt behoort tot de landbouw in de ruime zin. In die optiek kan je dus ook het fokken van paarden als een agrarische activiteit beschouwen.

Meer zelfs, het is als dusdanig niet van belang of het fokken van dieren consumptie tot doel heeft. Zo is volgens de RvVb ook het kweken van sportduiven agrarisch, net zoals het fokken van showpaarden (resp. RvVb 23 september 2014, nr. A/2014/0644, RvVb 23 oktober 2018, nr. A/1819/0216). Het fokken van honden is blijkbaar dan weer een brug te ver, zoals recent bevestigd (RvVb 28 juli 2022, nr. A-2122-0997).

Is het houden van paarden dan para-agrarisch?

Niet alleen landbouw in de ruime zin hoort thuis in agrarisch gebied. Ook zogeheten para-agrarische bedrijven zijn er toegelaten (artikel 11.4.1 Inrichtingsbesluit). Laat de draagwijdte van dat begrip nu een grote bron van discussie zijn in de praktijk.

In zijn spraakgebruikelijke betekenis gaat het om bedrijven waarvan de activiteit nauw bij landbouw aansluit en erop afgestemd is. De Omzendbrief “97 inzake gewestplannen reikt daarbij verschillende handvaten aan:

  • het grondgebonden karakter van het bedrijf (bv. een schoolhoeve)
  • de nauwe relatie met het landbouwproductieproces (bv. landbouwloonwerkers)
  • de onmiddellijke behandeling van landbouwproducten

Concreet houdt de omzendbrief ook voor dat paardenhouderijen met minstens 10 paarden para-agrarisch zijn. Voorwaarde is wel dat de hoofdactiviteit gericht is op het fokken en/of houden van paarden en eventueel bijkomend het africhten en opleiden daarvan. Ook aanhorigheden zoals berging voor voeder en materieel, pistes, tredmolen etc. zijn dan aanvaardbaar, aldus de Omzendbrief. In die zin lijkt de Omzendbrief te redeneren dat als het “landbouwproduct” het afleveren van een sportpaard is, de professionele paardenhouderij inclusief het africhten en opleiden tot sportpaard een toelaatbaar para-agrarisch bedrijf is.

De rechtspraak van de RvVb heeft een complexe verhouding met omzendbrieven. Enerzijds herhaalt de rechtspraak met regelmaat van de klok dat dergelijke omzendbrieven geen verordenend karakter hebben. Een omzendbrief is immers geen wet. De schending daarvan aanvoeren kan dan ook niet tot de onwettigheid van de beslissing leiden. Anderzijds herinnerde de Raad even regelmatig eraan dat de niet bindende omzendbrief wel kan worden aangewend als richtsnoer bij de beoordeling door het bestuur (RvVb 17 februari 2022, nr. A-2122-0485).

Gelet op dat laatste aanvaardde de RvVb dan ook regelmatig het para-agrarische karakter van een paardenhouderij, tenminste voor zover het kaderde in een professionele activiteit, en niet in een hobbymatig gebruik (RvVb 6 juni 2017, nr. A/1617/0920; RvVb 6 maart 2018, nr. A/1718/0605; RvVb 19 februari 2019, nr. A/1819/0632).

“[Yes.] Not really. Maybe … It’s classified” (Obama)

Stoorzender in dit verhaal is dat de Raad van State het laatst vernoemde arrest heeft gecasseerd (RvS 23 juni 2020, nr. 247.860). De Raad van State herinnerde eraan dat de Omzendbrief geen rechtsregels bevat. Vervolgens wees de Raad van State naar de spraakgebruikelijke betekenis van de term ‘para-agrarisch’ om dan kortweg te besluiten dat een volwaardige, professionele paardenhouderij met 10 paarden van derden géén para-agrarisch bedrijf is.

Het arrest na cassatie vernietigde vervolgens de vergunningsbeslissing voor de paardenhouderij. Maar de rechter hield de deur naar een kwalificatie als para-agrarisch wel op een kier. In zoverre het zwaartepunt van de activiteiten eerder aansluit bij para-agrarische activiteit dan louter recreatief gebruik achtte de Raad een paardenhouderij wel aanvaardbaar (RvVb 8 oktober 2020, nr. A-2021-0122).

De vraag is of de RvVb hiermee de meest correcte interpretatie geeft aan het arrest van de Raad van State. Een afdoende onderzoek naar het zwaartepunt tussen para-agrarisch en recreatief lijkt weinig zinvol wanneer de Raad van State het para-agrarisch karakter van paardenhouderijen net niet aanvaardt. De cassatierechter spreekt zich immers expliciet uit ten aanzien van een volwaardige en professionele paardenhouderij.

Verder leek eerder dit jaar het cassatiearrest bijval te krijgen. De POVC adviseerde, schijnbaar onder vermelding naar het cassatiearrest, dat het zuiver africhten van renpaarden geen para-agrarische activiteit was. Het bestuur zag dat anders en verleende toch de vergunning. Maar de rechter vernietigde de beslissing en verwees daarbij naar de uitvoerige uiteenzetting van de POVC die niet werd ontkracht door het bestuur (RvVb 3 februari 2022 met nummer RvVb-A-2122-0432). De op een kier openstaande deur leek daarmee toch meer en meer gesloten.

In een andere zaak wrikte de RvVb deze deur opnieuw weer open door te oordelen dat een paardenhouderij met minstens 10 paarden ingevolge het cassatiearrest misschien niet para-agrarisch is, maar dat dit geenszins betekent dat een paardenhouderij als dusdanig niet aanvaardbaar kan zijn als para-agrarische activiteit (RvVb 4 augustus 2022, nr. A-2122-1019). Een gedurfde stelling gelet op het vernoemde cassatiearrest, maar verder veilig omkaderd door de focus op de tekortkoming aan de stelplicht en het gegeven dat Raad de beslissing vernietigt om andere redenen.

Para-para-agrarisch?

Nog opmerkelijker is de recente uitspraak waarbij de rechter zelfs hippotherapie als principieel para-agrarisch bestempelt (RvVb 25 augustus 2022 met nummer RvVb-A-2122-1075). Dat het arrest kiest voor een moderne invulling van wat para-agrarisch is, treden we op zich bij. Maar het verbaast enigszins dat therapie in de vorm van paardrijden en het verzorgen van paarden een activiteit is die nauw aansluit bij en afgestemd is op landbouw. Tenzij de therapieactiviteiten zich zouden situeren in pakweg een paardenmelkerij lijkt ons de link tussen een therapiecentrum en landbouw erg ver zoek. Dat er ook zorg voor de dieren plaatsvindt en stro of hooi nodig is, geeft nog geen blijk van een aansluiting bij landbouw. Die kenmerken gelden immers ook voor manèges in recreatiegebied.

De soepele interpretaties verbazen overigens nog meer nu er zowel voor recreatief paardrijden als zonevreemde functies vergunbare alternatieven bestaan (hobbystallen en zonevreemde functiewijzingen naar aan landbouw verwante activiteiten).

Motivering boven alles

Opvallend is tot slot dat de RvVb vooral de les trekt om de beoordeling niet te steunen op de overwegingen uit de Omzendbrief (zie opnieuw RvVb 4 augustus 2022, nr. A-2122-1019). Steevast wordt verwezen naar de spraakgebruikelijke betekenis van het begrip ‘para-agrarisch’. Om juridisch in veilig vaarwater te blijven geldt hetzelfde advies voor het vergunningverlenend bestuur.

Nochtans kunnen we de waarde zien van bijvoorbeeld de opgesomde criteria in de omzendbrief die ook in verleden rechtspraak veelvuldig aan bod kwamen. Of iets aansluit en afgestemd is op landbouw, zegt op zich namelijk niet zoveel. Een onmiddellijke verwerking van landbouwproducten of een nauwe link met het landbouwproductieproces verduidelijkt de zaak enigszins. Een uitgebreid handelsbedrijf en ijssalon met hier en daar wat veeteelt (RvVb 22 januari 2019, nr. A-1819-0511), is tenslotte heel wat anders dan de ondergeschikte verkoop van planten bij een tuinbouwbedrijf (RvVb 9 oktober 2018 nr. A/1819/0162) of de diensten van een hoefsmid (RvVb 24 november 2014, nr. A/2014/0797).

Los van het risico op een schijnbaar streng toezicht van de Raad van State kan er o.i. wel een punt gemaakt worden voor het professioneel africhten van landbouwdieren met het oog op verkoop. Of dat daarmee een paardentherapiecentrum ipso facto als para-agrarisch kan worden beschouwd en niet als “iets met paarden”, lijkt ons echter een geheel andere zaak.

Wilt u direct antwoord op uw vragen?

Met een abonnement op Schulinck Omgevingsrecht krijgt u binnen 2 werkdagen een juridisch onderbouwd, praktisch antwoord.

Ontdek het zelf via onze database. Nog geen abonnement? Vraag dan zeker een demo aan!